Geschatte leestijd: 2 minuten
Met opgeheven kop staan de mannetjes van vuursalamanders op wacht. Ze kijken uit of er geen indringers zijn. Andere mannetjes zijn niet welkom, vruchtbare wijfjes des te meer. Van beide geslachten lopen er exemplaren rond over de met bruine beukenblaadjes bezaaide bosbodem.


Lopen is een groot woord. Kruipen past beter. Of sluipen. Want het gebeurt heel omzichtig, zeker als ze zich op vreemd terrein wagen. In het eigen territorium zijn ze veel zelfzekerder. Dan stappen ze rond met koddige maar toch kordate pasjes, soms zelfs heftig kronkelend als ze echt vaart willen maken. Maar snel kun je ze eigenlijk niet noemen.



De zwart-met-gele tekening moet dienen om te waarschuwen voor de gifklieren in de huid. Wellicht daardoor kunnen ze het zich permitteren om wat trager te zijn. Maar vuursalamanders gaan er niet van uit dat hun giftige huid de perfecte bescherming biedt. Bij gevaar gaan ze er voorzichtigheidshalve toch maar vandoor.



En dan is het toch verrassend hoe plots ze verdwenen zijn. Ze zijn meesters in het wegglippen tussen de bladeren. Het is alsof ze echt wegzakken. Terwijl je erop staat te kijken, glijden ze zachtjes weg tot ze helemaal onzichtbaar zijn. Het leven is voor de rappe, maar ook voor de trage!


(Beelden uit Oost-Vlaamse bossen, december 2025)
Als (àls) je dit natuurvertelsel leuk vond, klik je dan op het duimpje hieronder aub ? Of nog beter, schrijf je een reactie hieronder? Bedankt!

